GAMBIA, HET LAND VAN DE SMILEYS


De smiling coast, een betere naam voor dit Afrikaanse landje waar toerisme tot voor kort enorm in de lift zat, kan je nauwelijks bedenken. Dankzij de uiterst vriendelijke bevolking, maar ook de politieke stabiliteit, het tropische klimaat, de exuberante natuur en niet te vergeten 60 km magische stranden is Gambia een perfecte introductie tot Afrika.

Sinds mijn laatste reis zijn de wegen er flink op verbeterd. De tanka-tanka’s (bushtaxi’s) rijden sneller dan ooit. Ze zijn dubbel zo vol geladen als toegestaan, aangevuld met kippen, eenden en grote zakken eetwaar. Her en der zie ik jongetjes voetballen, al is niet voetbal maar worstelen de nationale sport. Bij volle maan kan je in de dorpjes gegarandeerd ergens een match zien. Het prijzengeld, vaak niet meer dan een grote zak rijst, betekent voor velen weer een paar weken overleven. Gambia is een van de 20 armste landen ter wereld. Het gemiddeld loon bedraagt één euro per dag. Gelukkig zorgt het toerisme voor geld in het laatje.




Vogelparadijs. Laag tij, ik zie bijzonder veel vogels en tuur de oevers af naar andere dieren.
‘Veel meer dan aapjes vind je hier niet,’ zegt Salomon mijn gids, ‘voor krokodillen en nijlpaarden moet je 200km verder zijn.’ Cruisen over de Gambia rivier is de beste introductie tot dit minilandje. De rivier, die 1600 km lang van Frans Guinea door Senegal en Gambia tot aan de Atlantische Oceaan stroomt, snijdt het land als een mes over de hele lengte in twee. Gambia ontdek je het best vanuit een kano: de kreken, rivieren, mangroves en meertjes zijn niet alleen idyllisch, maar ook pleisterplaatsen voor meer dan 500 exotische vogelsoorten, waarvan een groot percentage inheemse, een paradijs voor ornithologen en iedereen die ecotoerisme een warm hart toedraagt. Zelfs het nationale bier, Julbrew, heeft een vogel in haar logo. Op de Mandina Bolong, een zijrivier, is het water op sommige plekken slechts 1 m diep, maar met onze mahoniehouten prauw doorklieven we dat beetje water met het grootste gemak. Mahonie brengt geluk volgens de Gambianen. Ik grijp dat geluk letterlijk met beide handen vast, zeker als we bijna vastlopen op een zandbank. De Gambiarivier is onderhevig aan getijden. Als de mangroves bij eb vrijkomen varen dames in smalle uitgehouwen boomstammen uit om oesters te plukken. Rauw kan je ze niet eten, maar gegrild zijn ze een delicatesse. De schelpen worden verpulverd en van het poeder, vermengd met water, wordt verf gemaakt. In Gambia gaat niks verloren.



Mijn geluk krijgt vleugels. ‘Dit is de viagraboom, de schors en de bladeren geven mannen een gezonde boost.’ Salomon toont me nog meer natuurlijke remedies in het heilige Makasutu woud. De bushdokters en maraboets spelen nog een grote rol in het leven van de goedlachse Gambianen. ‘Deze plant is de Afrikaanse Redbull, het geeft je vleugels,’ glimlacht Salomon nog. En over gevleugelden weet hij alles. In Kamasutu alleen zitten honderden vogelsoorten. Maar Buba Jatta, de plaatselijke maraboet, is veruit de vreemdste vogel. Ik heb een déjà vu. Vijf jaar geleden was ik precies op dezelfde plek, maar het lijkt of de oude maraboet een verjongingskuur heeft ondergaan. Zo vader zo zoon, vertelt Salomon. Buba is in de voetsporen van vader Sang Jatta getreden. Hij heeft net als zijn pa een wollen muts op in 35°. Het gordijn waar de oude man zich achter verstopte is er niet meer. Buba zit gewoon naast me en leest net als zijn vader mijn hand. Vreemd genoeg kijkt hij niet rechtstreeks naar de lijnen, maar via een aftands spiegeltje. Handlezen in spiegelschrift, een moeilijke discipline en waarschijnlijk de reden dat hij er weinig van bakt. Als ik aangeef dat het niet echt klopt, gooit hij het snel over een andere boeg en wil hij me een juju verkopen, een mahonie geluksbrenger. Maar ik heb mijn portie geluk al gehad vandaag.



Eco trend. Drijvende traditionele huizen op de rivier. Mandina Lodge in het Makasutu woud is een van de origineelste hotels in Gambia. De kamers zijn luxueus en smaakvol ingericht. Visserssloepen drijven voorbij, water- en andere vogels zijn mijn naaste buren en de tuin zit vol vlinders. In het restaurant zit ik op een soort Afrikaanse troon. Het meubilair is exuberant, maar wel Afrikaans geïnspireerd. Van een heel andere orde is Lamin Lodge. Het houten gebouwtje van drie verdiepingen hangt met haken en ogen aan mekaar, maar is tegelijkertijd erg sfeervol. Ik ga er een glas drinken en kijk uit op de mooie Lamin Bolong kreek. Een rasta zorgt voor ambiance op z’n djembé. Hij past perfect bij het decor.



Er zijn steeds meer eco resorts, Sandele is er zo een. Opmerkelijk is dat de Engelse eigenaars hun winst delen met het nabijgelegen dorp, Kartong. Binnen tien jaar is de lodge van de dorpelingen. Het bejaarde echtpaar hoeft zich geen zorgen te maken over hun oude dag, want ze zijn met open armen opgenomen in de gemeenschap, waar ze de rest van hun leven kunnen blijven. De lodge is met de hulp van de dorpelingen volledig met plaatselijk materiaal gebouwd. Je kan er yoga en mindfullness volgen en er wordt gewerkt met zonne-energie en zelfgemaakte windmolens.



Iets authentieker is het Tumani Tenda Camp, een uniek project van het gelijknamige dorp. De kamertjes zijn sober, en bijzonder basic, het sanitair is niet meteen aan onze westerse behoeften aangepast, maar ze hebben het zelf gebouwd, er logeren kost haast niks en qua authenticiteit scoren ze hoog. Ze kregen een prijs voor het meest ecologische dorp. Ze organiseren bezoeken aan het gehucht, nemen toeristen mee de rivier op om te vissen en geven kooklessen, ze willen hun gasten een echt Afrika-gevoel geven. De opbrengst gaat naar drinkwater, schoolgelden en uniformen voor de kinderen én ze kunnen zich nu ook verplaatsen, want kochten een knalrood busje. Ook hier wordt energie geleverd door de zon en die is er in overvloed. Op het marktplaatsje van het dorp is het druk. Iedereen lijkt goed gehumeurd ondanks de dip in het toerisme. ’We overleven het wel, lacht de jongen die ons rondleidt’.



Een toerist op het menu? ‘Wil je je hoofd in een krokodil steken,’ vraagt een man me droogweg in Kachi Kali, een plek, waar een 100-tal krokodillen een heilig meertje bevolken. Mensen komen hier om te bidden voor succes en kinderloze vrouwen baden zich met water uit de pool in de hoop het nageslacht te verzekeren. Mijn hoofd in zo’n getande muil steken gaat wat ver, maar plots lijkt een krokodil aaien heel gewoon. Ik heb al slangen rond mijn nek gehad, een luiaard in mijn armen, aapjes op mijn hoofd, maar dit is een première. Gelukkig zijn de beesten zo doorvoed dat een schamele toerist op het menu hen niet interesseert. Ook de apen in Gambia zijn zo goed als tam. Monkey Forest is een goeie plek om ze bezig te zien in hun natuurlijke habitat, maar ik kan ze van veel dichterbij gadeslaan vanop mijn balkon in Coconut Residence. Ze spelen aan het zwembad. De groene velvet aapjes zijn erg lief, de rode Colobus apen een stuk ondeugender, het zijn echte veelvraten met expressieve gezichten. Bavianen zijn een ander paar mouwen, ik houd voldoende afstand als ik onderweg een uitgebreide familie met baby’s tegenkom.



Kleurrijke traditie. Een explosie van kleuren, vandaag is het Muharram, het islamitisch nieuwjaar. Geen feestjes, of vuurwerk, maar iedereen loopt op zijn paasbest, in de meest gedurfde kleurcombinaties, de straat op. Ze geven cadeautjes af bij de buren en helpen waar ze kunnen. In de kleine dorpjes waar ik doorrijd is het een oogverblindend schouwspel. Ook kinderen blinken van trots in hun bonte pakjes. Het illustreert perfect de vrolijkheid van het bestaan in dit kleine Afrikaanse landje. Volgens de Islamitische maankalender valt het elk jaar op een andere datum. Diezelfde knallende kleuren vind ik ook terug op plaatselijke markten, maar ik sta versteld als ik de Albertmarkt van Banjul binnenloop. Nieuwjaar, de markt is zo goed als leeg. Normaal moet je je hier een weg banen tussen stootkarren, dames met vrachten op het hoofd, spelende kinderen, fietsers, honden en geiten. Vandaag is het onnatuurlijk rustig. Bij de kleermakers, die aan van die heerlijk ouderwetse trap-naaimachines werken, blijf ik verbaasd staan kijken. Ze worden geassisteerd door jonge strijkers die hun vooroorlogse ijzers eerst in het vuur moeten opwarmen, het lijkt alsof ik een stap terug zet in de tijd.



De Gambiaanse Jeroen Meus. Het lijkt wel of er een popconcert plaatsvindt. In Tanji, op 10 km van het paradijselijke Sanyang Beach, staan honderden mensen op de vloedlijn. Tientallen vissersboten worden uitgeladen, vrouwen en mannen trotseren de golven om de vis op hun hoofd het strand op te dragen. Daar is het kleurenpalet zo mogelijk nog feller. Ondanks de ogenschijnlijke chaos zit er een systeem in en weet iedereen wat hem te doen staat. Op het strand is er een grote markt. De vis wordt of meteen verkocht, veelal door vrouwen, of gerookt en gedroogd. Het maakt van het vissersdorp Tanji de kleurrijkste maar ook de geurrijkste plek. Ik ben hier met Ida Chaam, de Jeroen Meus van Gambia. Ze leert toeristen dagelijkse Gambiaanse kost maken. 



Benechin, is zowat het populairste gerecht in dit land, een stoofpot van rijst en vis. Ze kiest een flink uit de kluiten gewassen vis uit, koopt kruiden en groenten, er wordt gewikt en gewogen en ook afgeboden, zoals dat hoort in Afrika. Voor mij kan het niet lang genoeg duren. Een bezoekje aan Tanji is beter dan theater of een goed boek, het is het echte leven zoals het is in dit landje. Ida neemt me mee naar haar huis. Na wat te hebben geholpen met groenten schillen en kruiden stampen moet het gerecht drie uur sudderen en merk ik nog maar eens hoe rekbaar de tijd is in Afrika. Om die lange wachttijd te verdrijven spelen we Wri, een spel dat zowat in elk Afrikaans land wordt gespeeld en best spannend is. De Benechin is om vingers en duimen af te likken. ’s Avonds ga ik naar een pub op het strand. Het zit er vol cougar girls, dames van pensioengerechtigde leeftijd die zich laten versieren door zogenaamde bumsters, afgetrainde jongemannen die je overal op het strand ziet rondlopen en die er alles aan doen om een ticket to heaven (Europa) te bemachtigen. En dat terwijl ik me hier in het paradijs waan.



HOE en WAAR

Ik vloog met Brussels Airlines naar Gambia: Brussel-Banjul: 6u.  www.brusselsairlines.com/nl-be

Alle reisinfo is te vinden op de site van de Gambiaanse toeristische dienst: www.visitthegambia.gm

Ik logeerde in

1. Coconut Residence: ooit hét paradepaardje in hoofdstad Banjul. Vlaming Luc Verschelden, slechts sinds enkele maanden manager, wil er opnieuw een vijfsterrenhotel van maken. Het ligt in een mooie tuin met twee zwembaden. De sfeer is erg aangenaam en authentiek. En je kan er lekker eten. Klik hier voor info over Coconut Residence
2. Bamboo Garden hotel: is ok als je erg goedkoop wil logeren in de Sengambiastrook, het meest toeristische gedeelte van Gambia, je moet er wel de luidruchtige cougar girls en hun jonge toyboys bij nemen en er is geen WIFI.

Categorie apart
3. Tumani Tenda eco-tourism camp: Ideaal als je het echte Afrika-gevoel wil krijgen De dorpelingen laten je via een aantal aktiviteiten kennismaken met hun dagelijkse leven. Het kost haast niets en het geld gaat integraal naar de community. Je moet wel tevreden zijn met weinig comfort, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de vriendelijkheid van de dorpsbewoners.  www.tumanitenda.co.uk

Ik heb lekker gegeten in :
1. Mandina lodge: www.mandinalodges.com
2. Sandele Eco retreat: www.sandele.com
3. Coco Ocean Resort and Spa: www.cocoocean.com
4. Sheraton hotel: www.sheratongambiahotel.com
6. Ocean Bay Hotel: www.oceanbayhotel.com
7. Ngala Lodge: www.ngalalodge.nl Belg heeft het restaurant van deze lodge, 
(Nederlandse eigenaar) op de kaart gezet.
8. Rainbow Beach bar: heerlijke kreeft op Paradise Beach: www.rainbow.gm
9. Pocoloco bar restaurant: live optredens, simpele keuken, aan het strand. www.nl.gscgambia.com/poco-loco
10. El Sol: Alweer een Belg, Marc Van Maldegem, baat de enige Mexicaan van het land uit. http://elsolgambia.com
11. Ida Chaam: Als je de traditionele keuken wil proeven en het bovendien zelf wil klaarmaken kan je hier terecht: www.gambiahomecooking.com





PRAKTISCH

Documenten: Belgische toeristen hebben enkel een identiteitskaart nodig, geen paspoort en geen visum.
Geld: 1 euro = 53,03 dalasi. (november 2014) In Banjul en de Senegambiastrook heb je ATM’s. Visa kaart niet vergeten.
Gezondheid: Er is GEEN ebola in Gambia. Het land is hermetisch afgesloten voor iedereen die uit een ebola land komt. Er is dus niet meer gevaar dan in België.
Malariapillen nemen is noodzakelijk. Voor andere inentingen contacteer je best het Tropisch Instituut: www.itg.be of 03 247 66 66.
Taal: De officiële taal is Engels, belangrijkste lokale talen zijn Mandinka en Wolof
Klok: In de winter is het bij ons 1 uur, in de zomer 2u vroeger dan in Gambia.
Beste reistijd: Van eind oktober tot juni is het droog. Tijdens onze zomermaanden valt er regen, maar altijd bij hoge temperaturen (+30°), tropische regen is dan best aangenaam.
Homosexualiteit: Gambia is bijzonder homofoob. Homosexualiteit is er strafbaar. 

© Tekst en foto's: Myriam Thys 2014


WIJ ZIJN SOCIAAL:
GAMBIA, HET LAND VAN DE SMILEYS

Geen opmerkingen

Naam

E-mail *

Bericht *